Genetica

Genetica is de wetenschap van genen. Genen zijn belangrijk omdat ze alle informatie bevatten die ons lichaam nodig heeft om goed te kunnen werken. Genen bestaan uit bouwstenen, de zogenoemde nucleotiden. Iedere nucleotide wordt gekenmerkt door één van vier organische basen, adenine (A), guanine (G), cytosine (C) en thymine (T). Alle nucleotiden samen vormen het DNA, dat weer opgedeeld is in chromosomen. Elk individu heeft een unieke samenstelling van zijn/haar DNA, wat tot stand is gekomen door de combinatie van het DNA van zijn/haar ouders. De enige uitzondering op deze regel zijn eeneiige tweelingen: hun DNA is precies hetzelfde.

Wat is een mutatie?

Het DNA verschilt van mens tot mens: dit fenomeen wordt genetische variatie genoemd en is helemaal normaal. Als er een verandering in de volgorde van de bouwstenen van een gen ontstaat, dan noemen we dit een mutatie. Mutaties kunnen zowel ziekteveroorzakend als niet-ziekteveroorzakend zijn. Zoals het woord al zegt, leiden mutaties in het eerste geval tot een ziekte, in het tweede geval heeft de desbetreffende drager er geen last van. Hoewel we wel weten hoe een mutatie ontstaat, weten we niet altijd waarom het gebeurt. Vaak is het gewoon per toeval. Wel is het zo dat zo’n nieuwe mutatie van ouder op kind kunnen worden overgedragen.

Hoe erven ziektes over?

Niet alle ziektes erven op dezelfde manier over. Binnen de monogenetische ziekten (ziekten die veroorzaakt worden door mutaties in één gen) kunnen we onderscheid maken tussen zogenaamde dominante, recessieve en X-gebonden overerving. Bij monogenetische auto inflammatoire ziektebeelden gaat het meestal om autosomaal dominante en autosomaal recessieve overerving. Om te begrijpen wat deze termen precies betekenen, is het belangrijk om te weten hoe genetische informatie wordt overgedragen. Iedereen heeft twee kopieën van een gen, eentje komt van de moeder en de andere van de vader. Bij een dominant overervend ziektebeeld hoeft een mutatie maar op één van de twee gen-kopieën aanwezig te zijn om tot ziekte te leiden. Heel concreet betekent dit dat als één van de ouders ziek is, elk kind 50% kans heeft om ook ziek te zijn.

Daarentegen zijn er twee gemuteerde gen-kopieën nodig om een recessief ziektebeeld tot uiting te laten komen. Een persoon bij wie de mutatie maar op één van de twee gen-kopieën aanwezig is, wordt dan een gezonde drager genoemd. Als twee gezonde dragers een kind krijgen dan is er 50% kans dat het kind ook een gezonde drager is, 25% kans dat de mutatie helemaal niet aanwezig is en 25% kans op ziekte.

Penetrantie

Het hebben van een mutatie betekent niet altijd  dat iemand ook ziek wordt. De waarschijnlijkheid dat een bepaalde mutatie tot uiting komt wordt in de genetica aangeduid met de term penetrantie. Als de penetrantie 100% is dan krijgt iemand met een mutatie  de ziekte. Als de penetrantie incompleet is dan krijgt maar een gedeelte van de mensen met de mutatie de ziekte. In de groep van autoinflammatoire aandoeningen is er veel variatie als het gaat om penetrantie. TRAPS is hier een goed voorbeeld van. Sommige mutaties hebben hierbij een hoge penetrantie terwijl andere mutaties juist een hele lage penetrantie hebben. Het is belangrijk om te beseffen dat bij een lage penetratie mensen binnen een familie met dezelfde mutatie wel of geen ziekteverschijnselen kunnen hebben.

Autoinflammatoire ziekten

Als het gaat om de genetica van autoinflammatoire aandoeningen dan zijn er twee belangrijke groepen: de monogenetische aandoeningen en de ziekten die worden veroorzaakt door mutaties in meerdere genen of waarvan de ontstaanswijze nog niet bekend is. De volgende aandoeningen zijn het gevolg van mutatie(s) in één enkel gen: FMF, TRAPS, HIDS, CAPS, DIRA, ziekte van Blau, PAPA, Majeed syndroom en NLRP12 syndroom. Hiervan erven o.a. TRAPS, CAPS, ziekte van Blau, PAPA en NLRP12 syndroom dominant over. FMF, HIDS, DIRA en Majeed syndroom zijn voorbeelden van aandoeningen met een autosomaal recessief overervingspatroon.

Tot de tweede groep van aandoeningen behoren sJIA, juveniele spondylarthropathieën, CRMO, juveniele spondylarthropathieën en het syndroom van Schnitzler. De ontstaanswijze van sJIA, juveniele spondylarthropathieën is veel complexer dan die van de monogenetische aandoeningen. Over de ontstaanswijze van CRMO, juveniele spondylarthropathieën en het syndroom van Schnitzler is nog weinig bekend. Overigens spelen naast genetische factoren, omgevingsfactoren ook een grote rol bij het ontstaan van auto-inflammatoire aandoeningen.

Voor meer informatie zie ook www.erfelijkheid.nl